De ballade van de vermoeide pleeg

Op een redelijk zonnige donderdagochtend rij ik door de polder naar mijn werk. Het is dienst nummer 4 van een reeks van 8. Daarna ben ik één dag vrij, om er vervolgens weer een flink aantal te draaien. Ik ben veel ingepland, maar heb zelf ook een dienst overgenomen en nog een familie-avond voor mijn woning tussendoor gepland.  Ik heb er zin in ook, ik ben benieuwd hoe de nacht verlopen is bij één van mijn bewoners nadat wij een paar dingen bedacht hebben die haar meer het gevoel thuis te zijn moeten geven. Mijn lichaam zegt dat ik moe ben en doet dat ongeveer zo subtiel als een kernramp. Maar ik besluit dat het wel mee valt want het komt eigenlijk niet zo goed uit om nu moe te zijn.

 

 


Aangekomen op mijn werk groet één van mijn bewoonsters mij hartelijk en is ze dolblij mij weer te zien. Van een ander krijg ik een schouderklopje als welkom, een mantelzorgster groet mij in de gang en de vrijwilliger is ook blij dat ik er weer ben. Hier geniet ik van, wetende dat alle fouten die ik maak door mijzelf zoveel in te plannen juist voor hen is.


Eerder schreef ik dat ik onwijs van mijn werk houd. Laat hier dan ook geen twijfel over bestaan. Ik schreef destijds dat ik veel diensten achter elkaar werkte, en dat begon ook toen zijn tol te eisen. Maar ik blijf ervan overtuigd dat ik liever duizend diensten achter elkaar werk bij mijn huidige baan dan dat ik mij aan de arbeidstijdenwet hou bij een ander. 


Het is zo’n beetje de norm geworden om zo onze  eigen grenzen te verleggen. Het is een soort loyaliteit die je bij mieren ziet: alles voor de kolonie. Ook wanneer dat betekent dat het individu zichzelf moet opofferen voor het voortbestaan van het collectief. Geen nood: we doen het graag en met liefde. We kunnen nog wel even.


Een extra dienst, langer blijven, eerder beginnen, toch even mijn collega die al last heeft van haar knie helpen. Laat mij dat lastige gesprek maar voeren, en dan blijf ik wel wat langer. Vandaag moeten we het weer met eentje minder doen. Overuren of uitjes met bewoners kun je beter niet opschrijven want je hebt er al zo veel. Op de achtergrond vertelt iemand op TV dat het erg aan toe gaat in de zorg: veel te korten, zwaar werk en overbelast zorgpersoneel. Fijn, die duiding van onze realiteit.


Niet opgeven, even volhouden nog, broedertje, in oktober ben je weer wat meer vrij. En zie trouwens de vruchten van je inzet: je bewoners en hun naasten zijn gelukkig, voor zover mogelijk. Daar doe je het toch voor? Toch?


Maar sinds dat ik mensen om mij heen heb zien uitvallen herken alle signalen. Ik ben moe, heb buiten mijn werk om weinig energie over en slaap en eet slecht. Thuis ben ik wat vaker afwezig, merk ik dat ik slechts met korte antwoorden reageer op de uiterst attente maar geheel vruchteloze pogingen van mijn lieve vriendin om een gesprek te voeren na een avonddienst. 


Tegelijkertijd zie ik ook geen oplossing. Ik kan, wil en mag niet stoppen of minder werken. Die ene dienst kan er nog wel bij, zo moe ben ik misschien wel niet. Ik moet niet zo zeuren ook, want op andere plaatsen gaat het er erger aan toe.  Mijn bewoners en collega’s hebben mij nodig, net als ik hen nodig heb. Als je er eenmaal bent, valt het ook allemaal wel mee. En zo staan we er allemaal ongeveer wel in. 


Alles voor de kolonie.
 

Please reload

Broeder Joost

Broeder Joost werkt als verpleegkundig zorgcoordinator op een afdeling voor jonge mensen met dementie en schrijft graag over zijn bevindingen, ervaringen en andere toevalligheden.

Meer Broeder Joost:

October 14, 2019

August 7, 2019

April 13, 2019

February 6, 2019

January 30, 2019

Please reload

Broeder Joost